1. È mercoledì mattina. Giancarlo esce presto dal suo appartamento. Fuori piove. Lui aspetta un minuto sotto il tetto del palazzo.
Het is
woensdagochtend.
Giancarlo
Hij gaat naar buiten
vroeg
uit zijn appartement.
Buiten
het regent.
Hij wacht
een minuut
onder het dak
van het gebouw.
Het is woensdagochtend. Giancarlo gaat vroeg zijn appartement uit. Buiten regent het. Hij wacht een minuut onder het dak van het gebouw.