I sostantivi italiani più comuni – Persone e relazioni
(De meest voorkomende Italiaanse zelfstandige naamwoorden – Mensen & relaties)
23. La madre
de moeder
parla
zij praat
con la nonna,
met de oma,
e il nonno
en de opa
parla
hij praat
con lo zio
met de oom
e con un cugino
en met een neef
e una cugina
en een nicht
di passaggio.
op doorreis.
Nel pomeriggio
in de middag
il vicino
de buurman
compra
hij koopt
le verdure
de groenten
e la vicina
en de buurvrouw
compra
zij koopt
il pesce,
de vis,
e tutti
en iedereen
parlano
zij praten
del tempo.
over het weer.
La famiglia
de familie
torna
ze komt terug
a casa
naar huis
stanca,
moe,
ma è
maar ze is
contenta.
blij.
De moeder praat met de oma, en de opa praat met de oom en met een neef en een nicht op doorreis. In de middag koopt de buurman groenten en de buurvrouw koopt vis, en iedereen praat over het weer. De familie komt moe thuis, maar ze is blij.
24. Nel teatro
In het theater
l’attore
de acteur
prova
hij oefent
una scena
een scène
e l’attrice
en de actrice
prova
zij oefent
la risposta,
het antwoord,
e provano
en zij oefenen
senza fermarsi.
zonder te stoppen.
Il cantante
de zanger
canta
hij zingt
due volte
twee keer
lo stesso ritornello
hetzelfde refrein
e la cantante
en de zangeres
canta
zij zingt
con lui,
met hem,
finché
totdat
la voce
de stem
è
zij is
sicura.
zeker.
Il musicista
de muzikant
suona
hij speelt
e la musicista
en de muzikante
suona
zij speelt
più piano,
zachter,
perché
omdat
il tecnico
de technicus
chiede
hij vraagt
equilibrio.
evenwicht.
In het theater oefent de acteur een scène. De actrice oefent het antwoord, en ze oefenen zonder te stoppen. De zanger zingt twee keer hetzelfde refrein. De zangeres zingt met hem, totdat de stem zeker is. De muzikant speelt en de muzikante speelt zachter, omdat de technicus om evenwicht vraagt.
25. Un artista
een artiest
prepara
hij maakt klaar
la scenografia
het decor
e un’altra artista
en een andere artieste
prepara
zij maakt klaar
i dettagli,
de details,
e preparano
en zij maken klaar
tutto
alles
con cura.
met zorg.
Il fotografo
de fotograaf
scatta
hij fotografeert
alcune foto
een paar foto’s
e poi
en dan
la pittrice
de schilderes
guarda
zij kijkt
le luci
de lichten
e dipinge
en zij schildert
un piccolo fondale.
een klein decor.
In platea
in de zaal
lo scrittore
de schrijver
prende
hij neemt
appunti
notities
e la giornalista
en de journaliste
scrive
zij schrijft
un pezzo;
een stuk;
più tardi
later
anche
ook
il giornalista
de journalist
scrive
hij schrijft
una recensione.
een recensie.
Een artiest maakt het decor klaar en een andere artieste maakt de details klaar. Ze bereiden alles met zorg voor. De fotograaf fotografeert een paar foto’s. Daarna kijkt de schilderes naar de lichten en schildert ze een klein decor. In de zaal neemt de schrijver notities en de journaliste schrijft een stuk. Later schrijft de journalist ook een recensie.
26. In studio
in de studio
l’ingegnere
de ingenieur
progetta
hij ontwerpt
un ponte
een brug
e l’architetto
en de architect
progetta
hij ontwerpt
gli spazi
de ruimtes
intorno.
eromheen.
Il programmatore
de programmeur
scrive
hij schrijft
il codice,
de code,
lo testa
hij test het
e lo riscrive
en hij herschrijft het
quando
wanneer
trova
hij vindt
un errore.
een fout.
Il designer
de designer
prepara
hij maakt klaar
l’interfaccia
de interface
e la designer
en de designer
prepara
zij maakt klaar
le icone,
de iconen,
e preparano
en zij maken klaar
una versione semplice.
een eenvoudige versie.
In de studio ontwerpt de ingenieur een brug en de architect ontwerpt de ruimtes eromheen. De programmeur schrijft de code. Hij test het en hij herschrijft het wanneer hij een fout vindt. De designer maakt de interface klaar en de designer maakt de iconen klaar. Samen maken ze een eenvoudige versie.
27. L’amministratore
de beheerder
controlla
Hij controleert
i costi
de kosten
e i tempi.
en de tijd.
Poi
daarna
parla
hij praat
con il direttore
met de directeur
del progetto.
van het project.
Un utente
een gebruiker
prova
hij test
l’app.
de app.
Un’utente
een gebruikster
la prova
zij test haar
di nuovo.
opnieuw.
Loro dicono
Zij zeggen
cosa non funziona.
wat niet werkt.
Il responsabile
de verantwoordelijke
ascolta
hij luistert
e fa
en hij maakt
una lista.
een lijst.
Poi
daarna
inizia
hij begint
subito
meteen
le correzioni.
de verbeteringen.
De beheerder controleert de kosten en de tijd. Daarna praat hij met de directeur van het project. Een gebruiker test de app. Een gebruikster test haar opnieuw. Zij zeggen wat niet werkt. De verantwoordelijke luistert en maakt een lijst. Daarna begint hij meteen met de verbeteringen.
28. Nel centro civico
in het buurthuis
il presidente
de voorzitter
apre
hij opent
la riunione.
de vergadering.
Parla
Hij praat
in modo semplice.
op een simpele manier.
La presidente
de voorzitter
del comitato culturale
van het cultureel comité
ascolta.
zij luistert.
Parla
Zij praat
con le persone
met de mensen
del quartiere.
uit de wijk.
La direttrice del progetto
de projectleider
ascolta
zij luistert
e parla
en zij praat
con i lavoratori.
met de werknemers.
Vuole
Zij wil
soluzioni pratiche.
praktische oplossingen.
In het buurthuis opent de voorzitter de vergadering. Hij praat op een simpele manier. De voorzitter van het cultureel comité luistert. Zij praat met de mensen uit de wijk. De projectleider luistert en praat met de werknemers. Zij wil praktische oplossingen.
29. Un lavoratore
een werknemer
racconta
hij vertelt
un problema,
een probleem,
e una lavoratrice
en een werkneemster
racconta
zij vertelt
lo stesso problema
hetzelfde probleem
con altri dettagli.
met andere details.
Il collega
de collega
propone
hij stelt voor
un’idea,
een idee,
e la collega
en de collega
ne propone un’altra.
zij stelt er een andere voor.
Poi
daarna
tutti
allemaal
discutono.
zij praten.
L’assistente
de assistent
prende
hij neemt
nota.
notities.
Il segretario
de secretaris
stampa
hij print
il riepilogo,
het overzicht,
e la segretaria
en de secretaresse
lo distribuisce.
zij deelt het uit.
Alla fine
aan het einde
una persona
iemand
ringrazia.
hij/zij bedankt.
Torna
hij/zij gaat terug
a casa
naar huis
con un compito chiaro.
met een duidelijke taak.
Een werknemer vertelt een probleem, en een werkneemster vertelt hetzelfde probleem met andere details. De collega stelt een idee voor, en de collega stelt er een andere voor. Daarna praten ze allemaal. De assistent neemt notities. De secretaris print het overzicht, en de secretaresse deelt het uit. Aan het einde bedankt iemand. Daarna gaat die persoon naar huis met een duidelijke taak.
Onjuistheid in dit verhaal gevonden? Laat het ons weten!
Onjuistheid gevonden? Laat het ons weten.
Bedankt! Je feedback is verzonden.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.
Je hebt het verhaal voltooid. Goed gedaan. We hebben nog geen vragenlijst voor dit verhaal. Blijf op de hoogte!