1. Mon nomMijn naam× estis× Robinson Crusoé.Robinson Crusoé.× Je suisIk ben× négeboren× en 1632in 1632× à York,in York,× en Angleterre.in Engeland.× Mon pèreMijn vader× venaitkwam× d'Allemagne.uit Duitsland.× IlHij× étaitwas× marchand.koopman.× IlHij× gagnaitverdiende× biengoed× sa vie.zijn brood.× PuisToen× il ahij heeft× arrêtégestopt× de travailler.met werken.× IlHij× vivaitwoonde× à York.in York.× Il aHij heeft× épouségetrouwd met× ma mèremijn moeder× là-bas.daar.× Le nom de familleDe achternaam× devan× ma mèremijn moeder× étaitwas× Robinson.Robinson.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsMijn naam is Robinson Crusoé. Ik ben geboren in 1632 in York, in Engeland. Mijn vader kwam uit Duitsland. Hij was koopman. Hij verdiende goed zijn brood. Toen stopte hij met werken. Hij woonde in York. Hij trouwde daar met mijn moeder. De achternaam van mijn moeder was Robinson.
2. J'avaisIk had× deux frèrestwee broers× plus âgés.oudere.× Un frèreEen broer× étaitwas× soldat.soldaat.× IlHij× estis× mortgestorven× dansin× une guerreeen oorlog× enin× Flandre.Vlaanderen.× JeIk× n'aiheb× jamaisnooit× sugeweten× ce quiwat× est arrivéis gebeurd× àmet× mon autre frère.mijn andere broer.× Mes parentsMijn ouders× n'onthebben× jamaisnooit× sugeweten× ce quiwat× m'est arrivémet mij is gebeurd× non plus.ook niet.× J'étaisIk was× le troisième fils.de derde zoon.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsIk had twee oudere broers. Een broer was soldaat. Hij is gestorven in een oorlog in Vlaanderen. Ik heb nooit geweten wat er met mijn andere broer is gebeurd. Mijn ouders hebben ook nooit geweten wat er met mij is gebeurd. Ik was de derde zoon.
3. Mon pèreMijn vader× ne m'a pasheeft mij niet× apprisgeleerd× de métier.beroep.× J'aiIk× commencébegon× à rêverte dromen× d'aventure.van avontuur.× Je pensaisIk dacht× tout le tempsde hele tijd× aux voyages.aan reizen.× Mon pèreMijn vader× étaitwas× vieux.oud.× IlHij× m'a envoyéstuurde mij× ànaar× l'école.school.× Il voulaitHij wilde× quedat× je devienneik zou worden× avocat.advocaat.× MaisMaar× je voulaisik wilde× une seule chose.maar één ding.× Je voulaisIk wilde× allergaan× en mer.naar zee.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsMijn vader heeft mij geen beroep geleerd. Ik begon van avontuur te dromen. Ik dacht de hele tijd aan reizen. Mijn vader was oud. Hij stuurde mij naar school. Hij wilde dat ik advocaat zou worden. Maar ik wilde maar één ding. Ik wilde naar zee gaan.
4. Mon pèreMijn vader× étaitwas× fâchéboos× à cause de ça.daarom.× Ma mèreMijn moeder× étaitwas× fâchéeboos× aussi.ook.× TousAl× mes amismijn vrienden× me disaientzeiden mij× de resterte blijven× à× la maison.thuis.× MaisMaar× quelque choseiets× en moiin mij× voulaitwilde× partir.vertrekken.× JeIk× ne pouvais paskon niet× arrêterstoppen× de pensermet denken× aux bateauxaan boten× eten× à× l'océan.de oceaan.× JeIk× ne savais paswist niet× quedat× ce désirdit verlangen× m'apporteraitmij zou brengen× des problèmes terribles.vreselijke problemen.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsMijn vader was boos daarom. Mijn moeder was ook boos. Al mijn vrienden zeiden mij thuis te blijven. Maar iets in mij wilde vertrekken. Ik kon niet stoppen met denken aan boten en de oceaan. Ik wist niet dat dit verlangen mij vreselijke problemen zou brengen.
5. Un jourOp een dag× mon pèremijn vader× m'aheeft me× appelégeroepen× dansnaar× sa chambre.zijn kamer.× IlHij× étaitwas× maladeziek× devan× la goutte.de jicht.× IlHij× ne pouvait paskon niet× marcher.lopen.× IlHij× voulaitwilde× memet me× parlerpraten× sérieusement.serieus.× "Pourquoi"Waarom× veux-tuwil je× partir?"vertrekken?"× a-t-il demandé.vroeg hij.× "Tu"Je× ashebt× toutalles× ici.hier.× TuJe× peuxkunt× avoirhebben× une bonne vie.een goed leven.× TuJe× peuxkunt× gagnerverdienen× de l'argent."geld."× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsOp een dag heeft mijn vader me naar zijn kamer geroepen. Hij was ziek van de jicht. Hij kon niet lopen. Hij wilde serieus met me praten. "Waarom wil je vertrekken?" vroeg hij. "Je hebt alles hier. Je kunt een goed leven hebben. Je kunt geld verdienen."
6. IlHij× s'est assisging zitten× dansin× son lit.zijn bed.× Son visageZijn gezicht× étaitwas× sérieux.ernstig.× "Écoute-moi,"Luister naar me,× fils.zoon.× Les pauvresDe armen× vontgaan× en mer.naar zee.× IlsZij× doiventmoeten× manger.eten.× Les richesDe rijken× vontgaan× en mernaar zee× pourom× devenirte worden× célèbres.beroemd.× MaisMaar× toi,jij,× tujij× n'es pasbent niet× pauvre.arm.× TuJij× n'es pasbent niet× riche.rijk.× TuJij× esbent× au milieu."in het midden."× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsHij ging rechtop zitten in zijn bed. Zijn gezicht was ernstig. "Luister naar me, zoon. De armen gaan naar zee. Zij moeten eten. De rijken gaan naar zee om beroemd te worden. Maar jij, jij bent niet arm. Jij bent niet rijk. Jij bent in het midden."
7. "La vie"Het leven× du milieuin het midden× estis× parfaite,"perfect,"× a continuéging verder× mon père.mijn vader.× "Les pauvres"De armen× travaillentwerken× tropte× dur.hard.× Leur corpsHun lichaam× se casse.breekt.× IlsZij× n'onthebben× jamaisnooit× assez degenoeg× nourriture.voedsel.× Les richesDe rijken× onthebben× d'autresandere× problèmes.problemen.× IlsZij× s'inquiètentmaken zich zorgen× pourom× leur argent.hun geld.× IlsZij× onthebben× des ennemis."vijanden."× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf Taaltips"Het leven in het midden is perfect," ging mijn vader verder. "De armen werken te hard. Hun lichaam breekt. Zij hebben nooit genoeg voedsel. De rijken hebben andere problemen. Zij maken zich zorgen om hun geld. Zij hebben vijanden."