1. AlorsDus× je suis alléging ik× aux pompes.naar de pompen.× J'ai travailléIk werkte× plus durharder× quedan× je n'avais jamais travailléik ooit had gewerkt× dansin× ma vie.mijn leven.× NousWe× l'avonshebben het× tousallemaal× fait.gedaan.× Nos mainsOnze handen× saignaient.bloedden.× Nos dosOnze ruggen× se cassaient.braken.× MaisMaar× nous avons continuéwe gingen door× à pomper.met pompen.× L'eauHet water× continuaitbleef× à entrer.binnenkomen.× Nous perdionsWe verloren× la bataille.de strijd.× Le bateauHet schip× mourait.stierf.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsDus ging ik naar de pompen. Ik werkte harder dan ik ooit in mijn leven had gewerkt. We deden het allemaal. Onze handen bloedden. Onze ruggen braken. Maar we gingen door met pompen. Het water bleef binnenkomen. We verloren de strijd. Het schip stierf.
2. Le capitaineDe kapitein× aheeft× tiréafgevuurd× des canonskanonnen× pourom× demanderte vragen× de l'aide.hulp.× BOUM !BOEM!× BOUM !BOEM!× Je n'avais jamais entenduIk had nog nooit gehoord× les canonsde kanonnen× d'un bateauvan een schip× avant.eerder.× Je pensaisIk dacht× quedat× nous nous cassionswe braken× en morceaux.in stukken.× Je me suis évanouiIk ben flauwgevallen× de peur.van angst.× Je suisIk ben× tombégevallen× surop× le pont.het dek.× Un autre marinEen andere zeeman× m'aheeft me× pousségeduwd× eten× aheeft× prisgenomen× ma placemijn plaats× àbij× la pompe.de pomp.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsDe kapitein heeft kanonnen afgevuurd om hulp te vragen. BOEM! BOEM! Ik had nog nooit de kanonnen van een schip gehoord. Ik dacht dat we in stukken braken. Ik ben flauwgevallen van angst. Ik ben op het dek gevallen. Een andere zeeman heeft me geduwd en heeft mijn plaats bij de pomp genomen.
3. QuandToen× je me suis réveilléik wakker werd× les chosesde dingen× étaientwaren× pires.erger.× L'eauHet water× gagnait.won.× Nous ne pouvions pasWe konden niet× pomperpompen× assezgenoeg× vite.snel.× Le bateauHet schip× allaitging× couler.zinken.× Rien ne pouvaitNiets kon× nousons× sauver.redden.× MaisMaar× alorstoen× --× un miracle !een wonder!× Un petit bateauEen klein schip× près dedichtbij× nousons× aheeft× envoyégestuurd× une barque.een sloep.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsToen ik wakker werd waren de dingen erger. Het water won. We konden niet snel genoeg pompen. Het schip ging zinken. Niets kon ons redden. Maar toen - een wonder! Een klein schip dichtbij ons heeft een sloep gestuurd.
4. Ces hommesDeze mannen× courageuxdappere× onthebben× risquégewaagd× leur viehun leven× pourom× nousons× atteindre.te bereiken.× Les vaguesDe golven× jetaientgooiden× leur petite barquehun kleine sloep× commeals× un jouet.een speeltje.× MaisMaar× ils ont continuéze bleven× à venir.komen.× Nos marinsOnze zeelieden× leurhen× onthebben× jetégegooid× une corde.een touw.× AprèsNa× beaucoup deveel× dangergevaar× ils l'onthebben ze het× attrapée.gevangen.× Ils ontZe hebben× tirégetrokken× leur barquehun sloep× près dedicht bij× notre bateau.ons schip.× "Sautez !""Spring!"× ont-ils crié.riepen ze.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsDeze dappere mannen hebben hun leven gewaagd om ons te bereiken. De golven gooiden hun kleine sloep als een speeltje. Maar ze bleven komen. Onze zeelieden hebben hen een touw gegooid. Na veel gevaar hebben ze het gevangen. Ze hebben hun sloep dicht bij ons schip getrokken. "Spring!" riepen ze.
5. Un par unEen voor een× nouswe× avons sautézijn gesprongen× dansin× leur barque.hun boot.× J'avaisIk had× sizo× peurveel angst× quedat× je pouvaisik kon× à peinenauwelijks× bouger.me bewegen.× Les marinsDe matrozen× ont dûmoesten× meme× jetergooien× dedanserin× commeals× un saceen zak× de pommes de terre.aardappelen.× J'aiIk× atterrikwam neer× durementhard× eten× suis restébleef× làdaar× tremblant.trillend liggen.× La petite barqueDe kleine boot× étaitwas× pleinevol× d'hommes.mannen.× L'eauHet water× venaitkwam× par-dessusover× les côtés.de zijkanten.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsEen voor een zijn we in hun boot gesprongen. Ik had zo veel angst dat ik me nauwelijks kon bewegen. De matrozen moesten me erin gooien als een zak aardappelen. Ik kwam hard neer en bleef daar trillend liggen. De kleine boot was vol mannen. Het water kwam over de zijkanten.
6. QuinzeVijftien× minutesminuten× plus tardlater× j'ai regardékeek ik× en arrière.achterom.× Notre bateauOns schip× allaitging× sousonder× les vagues.de golven.× La merDe zee× l'aheeft het× avaléopgeslikt× entier.helemaal.× MaintenantNu× je comprenaisbegreep ik× ce quewat× "couler""zinken"× voulait dire.betekende.× TouteAl× notre marchandise,onze goederen,× toutesal× nos possessions,onze bezittingen,× toutalles× --× au fond deop de bodem van× la mer.de zee.× NousWe× avionshadden× de la chancegeluk× d'êtredat we× vivants.leefden.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsVijftien minuten later keek ik achterom. Ons schip ging onder de golven. De zee heeft het helemaal opgeslikt. Nu begreep ik wat "zinken" betekende. Al onze goederen, al onze bezittingen, alles - op de bodem van de zee. We hadden geluk dat we leefden.
7. NousWe× ne pouvions paskonden niet× atteindrebereiken× le bateau de sauvetage.de reddingsboot.× La tempêteDe storm× étaitwas× tropte× forte.sterk.× AlorsDus× nouswe× avons raméroeiden× versnaar× la côte.de kust.× ÇaHet× a prisduurde× des heures.uren.× ChaqueElke× vaguegolf× essayaitprobeerde× de retournerom te keren× notre barque.onze boot.× ChaqueElke× rafale de ventwindvlaag× essayaitprobeerde× deons× nouste× noyer.verdrinken.× Les gensDe mensen× surop× la plagehet strand× nousons× ont vuszagen× venir.komen.× IlsZe× ont coururenden× pourom× aider.te helpen.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsWe konden de reddingsboot niet bereiken. De storm was te sterk. Dus roeiden we naar de kust. Het duurde uren. Elke golf probeerde onze boot om te keren. Elke windvlaag probeerde ons te verdrinken. De mensen op het strand zagen ons komen. Ze renden om te helpen.