Grammaticale Grondslagen

De bouwstenen van elke Franse zin

Voortgang Pagina 2 van 5

Van woorden naar zinnen

Nu je de klanken en basisuitdrukkingen kent, is het tijd voor de grammaticale grondslagen. Je zult deze elementen in ELKE Franse tekst tegenkomen.

Focus vooral op het herkennen van patronen. Je hoeft nog niet alles perfect te kunnen produceren - begrip is het belangrijkst voor het lezen van je eerste verhaal.

Hoofdstuk 4

Lidwoorden & Geslacht

De sleutel tot Franse zinsstructuur

In het Frans heeft elk zelfstandig naamwoord een geslacht (mannelijk of vrouwelijk). Lidwoorden moeten hiermee overeenkomen.

Bepaalde lidwoorden (de/het)

Gebruik deze wanneer je over iets specifieks praat:

le (mannelijk enkelvoud) le livre = het boek Voor medeklinker
la (vrouwelijk enkelvoud) la maison = het huis Voor medeklinker
l' (enkelvoud voor klinker) l'ami, l'école = de vriend, de school Voor klinker/h
les (alle meervouden) les livres = de boeken Alle meervouden

Onbepaalde lidwoorden (een)

Gebruik deze wanneer je over iets in het algemeen praat:

un (mannelijk) un garçon = een jongen Mannelijk enkelvoud
une (vrouwelijk) une fille = een meisje Vrouwelijk enkelvoud
des (meervoud) des enfants = kinderen/enkele kinderen Alle meervouden

Delende lidwoorden (wat/enkele)

ANDERS DAN NEDERLANDS: Frans moet "wat" uitdrukken - je kunt het niet weglaten! Nederlands "Ik drink wijn" wordt "Je bois du vin":

Geslacht herkennen - Nuttige patronen

-e Vaak vrouwelijk
Voorbeelden
table, chaise, voiture
Uitzonderingen/Tips
le livre, le musée, le lycée
-tion Altijd vrouwelijk
Voorbeelden
nation, station, action
Uitzonderingen/Tips
Zoals -tie in Nederlands
-té Altijd vrouwelijk
Voorbeelden
liberté, beauté, société
Uitzonderingen/Tips
Zoals -teit in Nederlands
-eur Meestal mannelijk
Voorbeelden
professeur, acteur
Uitzonderingen/Tips
la fleur, la couleur
-age Meestal mannelijk
Voorbeelden
garage, voyage, fromage
Uitzonderingen/Tips
la page, la plage
-ment Altijd mannelijk
Voorbeelden
moment, appartement
Uitzonderingen/Tips
Zoals -ment in Nederlands

Voorbeelden in context

Le garçon mange la pizza De jongen eet de pizza
La femme lit un livre De vrouw leest een boek
Les enfants jouent dans le parc De kinderen spelen in het park
J'aime les croissants Ik hou van croissants
Il boit de l'eau Hij drinkt water
Elle achète des fleurs Zij koopt bloemen
Hoofdstuk 5

Avoir (Hebben) & Bezit

Het tweede belangrijkste werkwoord

Na être is avoir het meest gebruikte werkwoord. Het drukt bezit uit en wordt in veel uitdrukkingen gebruikt.

De vervoeging van avoir

Belangrijke uitdrukkingen met avoir

In het Frans gebruik je avoir waar Nederlands "zijn" gebruikt:

Bezittelijke voornaamwoorden

Moeten overeenkomen met het geslacht van wat bezeten wordt:

mon/ma/mes mijn mon livre, ma maison = mijn boek, mijn huis
ton/ta/tes jouw ton ami, ta voiture = jouw vriend, jouw auto
son/sa/ses zijn/haar son chien, sa vie = zijn/haar hond, zijn/haar leven
notre/nos ons/onze notre famille, nos amis = onze familie, onze vrienden
votre/vos jullie/uw votre maison, vos enfants = jullie huis, jullie kinderen
leur/leurs hun leur voiture, leurs parents = hun auto, hun ouders
mon amie mijn vriendin Gebruik mon/ton/son voor klinker!
son histoire zijn/haar verhaal Voor klinkerklank

Bezit met de (van)

le livre de Marc Marcs boek / het boek van Marc
la maison d'Anne Annes huis / het huis van Anne
l'ami de mon frère de vriend van mijn broer
la voiture du professeur de auto van de leraar de + le = du
le chat de la voisine de kat van de buurvrouw vrouwelijke buurvrouw
les jouets des enfants het speelgoed van de kinderen de + les = des
Hoofdstuk 6

Getallen, Tijd & Dagen

Praktische elementen voor elk verhaal

Je komt deze woorden constant tegen. Ze geven context voor wanneer en hoe vaak dingen gebeuren.

Getallen 1-20

1 = un/une (komt overeen met geslacht)
2 = deux (deu)
3 = trois (twa)
4 = quatre (kaa-treu)
5 = cinq (sank)
6 = six (sies)
7 = sept (set)
8 = huit (wiet)
9 = neuf (neuf)
10 = dix (dies)
11 = onze (onz)
12 = douze (doez)
13 = treize (trehz)
14 = quatorze (kaa-torz)
15 = quinze (kanz)
16 = seize (sehz)
17 = dix-sept (die-set)
18 = dix-huit (diez-wiet)
19 = dix-neuf (diez-neuf)
20 = vingt (van)

Tientallen & hogere getallen

LET OP: Frans telt anders na 60!

30 = trente (bv. trente et un = 31)
40 = quarante (bv. quarante-deux = 42)
50 = cinquante (bv. cinquante-trois = 53)
60 = soixante (bv. soixante-huit = 68)
70 = soixante-dix (bv. soixante-dix-sept = 77)
80 = quatre-vingts (bv. quatre-vingt-un = 81)
90 = quatre-vingt-dix (bv. quatre-vingt-dix-neuf = 99)
100 = cent (bv. cent dix = 110)
1000 = mille (bv. deux mille = 2000)
eerste = premier/première (bv. première fois = eerste keer)
tweede = deuxième/second (bv. deuxième étage = tweede verdieping)

Dagen van de week

Let op: geen hoofdletter in het Frans!

lundi maandag (lun-die)
mardi dinsdag (mar-die)
mercredi woensdag (mehr-kreu-die)
jeudi donderdag (zjeu-die)
vendredi vrijdag (vaan-dreu-die)
samedi zaterdag (sam-die)
dimanche zondag (die-maansj)
le lundi op maandagen (Met lidwoord = elke week)
lundi maandag (Zonder lidwoord = deze/volgende)

Maanden & seizoenen

janvier
Nederlands
januari
Seizoen
hiver
février
Nederlands
februari
Seizoen
hiver
mars
Nederlands
maart
Seizoen
printemps
avril
Nederlands
april
Seizoen
printemps
mai
Nederlands
mei
Seizoen
printemps
juin
Nederlands
juni
Seizoen
été
juillet
Nederlands
juli
Seizoen
été
août
Nederlands
augustus
Seizoen
été
septembre
Nederlands
september
Seizoen
automne
octobre
Nederlands
oktober
Seizoen
automne
novembre
Nederlands
november
Seizoen
automne
décembre
Nederlands
december
Seizoen
hiver

De tijd vertellen

Quelle heure est-il? Hoe laat is het?
Il est deux heures = Het is twee uur
Il est une heure Het is één uur (Enkelvoud voor 1 uur!)
Il est trois heures Het is drie uur (Meervoud voor de rest)
et demie half
deux heures et demie = half drie
et quart kwart over
trois heures et quart = kwart over drie
moins le quart kwart voor
quatre heures moins le quart = kwart voor vier
du matin 's ochtends
huit heures du matin = acht uur 's ochtends
de l'après-midi 's middags
deux heures de l'après-midi = twee uur 's middags
du soir 's avonds
huit heures du soir = acht uur 's avonds
midi middag (Mannelijk: Il est midi)
minuit middernacht (Mannelijk: Il est minuit)

Tijdsuitdrukkingen in verhalen

aujourd'hui vandaag
Aujourd'hui il fait beau - Vandaag is het mooi weer
hier gisteren
Hier je suis allé au cinéma - Gisteren ging ik naar de bioscoop
demain morgen
Demain c'est dimanche - Morgen is het zondag
maintenant nu
Maintenant nous mangeons - Nu eten we
après na/later
À tout à l'heure - Tot straks
avant voor
Avant de manger - Voor het eten
toujours altijd
Il est toujours en retard - Hij is altijd te laat
jamais nooit
Je ne bois jamais de café - Ik drink nooit koffie
souvent vaak
Je vais souvent à la mer - Ik ga vaak naar zee
parfois soms
Parfois il pleut - Soms regent het
déjà al
J'ai déjà mangé - Ik heb al gegeten
encore nog/weer
Pas encore - Nog niet
bientôt binnenkort
À bientôt! - Tot snel!
Globe-mascotte met een krant

Love For Languages Nieuwsbrief

Mis nooit meer een nieuw verhaal of blogbericht!

Meld je aan voor onze maandelijkse nieuwsbrief en mis nooit meer de publicatie van een nieuw verhaal of blogbericht. Eén keer per maand sturen we je een nieuwsbrief vol taalleertips en een overzicht van alle verhalen en boekhoofdstukken die zijn gepubliceerd.

Bekijk eerdere nieuwsbrieven