1. AlsoDus× schnittenhakten× siezij× den vorderen Mastde voorste mast× ab.af.× KRACH!KRAK!× ErHij× fielviel× ins Meer.in de zee.× AberMaar× jetztnu× wackeltewankelde× der Hauptmastde hoofdmast× schrecklich.vreselijk.× ErHij× würdezou× das Schiffhet schip× auseinanderbrechen.uit elkaar breken.× SieZij× musstenmoesten× auchook× diesendeze× abschneiden.afhakken.× JetztNu× hattenhadden× wirwij× überhaupthelemaal× keine Mastegeen masten× mehr.meer.× WirWij× warenwaren× wieals× ein Korkeneen kurk× im Wasser.in het water.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsDus hakten zij de voorste mast af. KRAK! Hij viel in de zee. Maar nu wankelde de hoofdmast vreselijk. Hij zou het schip uit elkaar breken. Zij moesten ook deze afhakken. Nu hadden wij helemaal geen masten meer. Wij waren als een kurk in het water.
2. Ich kannIk kan× meinen Schreckenmijn schrik× nichtniet× beschreiben.beschrijven.× Ich warIk was× jung.jong.× Ich hatteIk had× den Todde dood× noch nienog nooit× sozo× nahdichtbij× gesehen.gezien.× AberMaar× schlimmererger× alsdan× die Angstde angst× vorvoor× dem Todde dood× warwas× meine Schuld.mijn schuld.× Ich hatteIk had× meine Versprechenmijn beloftes× anaan× GottGod× gebrochen.gebroken.× Ich hatteIk had× überover× SeineZijn× ersteeerste× Warnungwaarschuwing× gelacht.gelachen.× JetztNu× würdezou× ErHij× michmij× töten.doden.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsIk kan mijn schrik niet beschrijven. Ik was jong. Ik had de dood nog nooit zo dichtbij gezien. Maar erger dan de angst voor de dood was mijn schuld. Ik had mijn beloftes aan God gebroken. Ik had over Zijn eerste waarschuwing gelachen. Nu zou Hij mij doden.
3. Die WorteDe woorden× meines Vatersvan mijn vader× kamenkwamen× zubij× mirmij× zurück.terug.× Er hatteHij had× recht.gelijk.× Ich warIk was× verflucht.vervloekt.× Der SturmDe storm× wurdewerd× schlimmer.erger.× SogarZelfs× die altende oude× Seeleutezeelieden× sagten,zeiden,× sie hättenzij hadden× noch nienog nooit× so etwaszoiets× gesehen.gezien.× Unser SchiffOns schip× warwas× schwerzwaar× mitmet× Ladung.lading.× Es rollteHet rolde× schrecklich.vreselijk.× AlleOm de× paarpaar× Minutenminuten× riefriep× ein Seemann:een zeeman:× Sie wirdHet zal× sinken!zinken!× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsDe woorden van mijn vader kwamen bij mij terug. Hij had gelijk. Ik was vervloekt. De storm werd erger. Zelfs de oude zeelieden zeiden dat zij nog nooit zoiets hadden gezien. Ons schip was zwaar met lading. Het rolde vreselijk. Om de paar minuten riep een zeeman: "Het zal zinken!"
4. Ich wussteIk wist× nicht,niet,× waswat× sinkenzinken× bedeutete,betekende,× bistot× eshet× mirmij× jemandiemand× erklärte.uitlegde.× WennWanneer× ein Schiffeen schip× sinktzinkt× oderof× untergeht,ondergaat,× fülltvult× es sichhet zich× mitmet× Wasserwater× unden× gehtgaat× aufnaar× den Grundde bodem× des Meeres.van de zee.× AlleIedereen× ertrinken.verdrinkt.× JetztNu× verstandbegreep× ich.ik het.× Wir würdenWij zouden× alleallemaal× inin× diesem kalten,dit koude,× dunklendonkere× Wasserwater× sterben.sterven.× Unsere KörperOnze lichamen× würdenzouden× nienooit× gefundengevonden× werden.worden.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsIk wist niet wat "zinken" betekende, tot iemand het mij uitlegde. Wanneer een schip "zinkt" of "ondergaat", vult het zich met water en gaat naar de bodem van de zee. Iedereen verdrinkt. Nu begreep ik het. Wij zouden allemaal in dit koude, donkere water sterven. Onze lichamen zouden nooit gevonden worden.
5. DannToen× sahzag× ichik× etwas,iets× dasdat× mein Blutmijn bloed× gefrierenbevriezen× ließ.deed.× Der KapitänDe kapitein× betete.bad.× Der BootsmannDe bootsman× betete.bad.× DieseDeze× hartenharde× Männer,mannen,× diedie× nichtsniets× fürchteten,vreesden,× warenwaren× aufop× den Kniende knieën× unden× betteltensmeekten× GottGod× umom× Gnade.genade.× WennAls× siezij× beteten,baden,× warenwaren× wirwij× wirklichecht× verloren.verloren.× IchIk× fielviel× auchook× aufop× die Knie.de knieën.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsToen zag ik iets dat mijn bloed deed bevriezen. De kapitein bad. De bootsman bad. Deze harde mannen, die niets vreesden, waren op de knieën en smeekten God om genade. Als zij baden, waren wij echt verloren. Ik viel ook op de knieën.
6. MittenMidden× inin× der Nachtde nacht× wurdewerd× eshet× schlimmer.erger.× Ein SeemannEen zeeman× kamkwam× vonvan× untenbeneden× gerannt.gerend.× Wir habenWij hebben× ein Leck!een lek!× schrieschreeuwde× er.hij.× VierVier× Fußvoet× Wasserwater× im Laderaum!in het ruim!× Der KapitänDe kapitein× sprangsprong× auf.op.× AlleAlle× Mannman× anaan× die Pumpen!de pompen!× riefriep× er.hij.× DasDat× warwas× unsereonze× letztelaatste× Chance.kans.× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsMidden in de nacht werd het erger. Een zeeman kwam van beneden gerend. "Wij hebben een lek!" schreeuwde hij. "Vier voet water in het ruim!" De kapitein sprong op. "Alle man aan de pompen!" riep hij. Dat was onze laatste kans.
7. Mein HerzMijn hart× bliebbleef× stehen.staan.× IchIk× fielviel× aufop× mein Bettmijn bed× zurück.terug.× IchIk× konntekon× michme× nichtniet× bewegen.bewegen.× WasserWater× kamkwam× herein.binnen.× WirWij× würdenzouden× sinken.zinken.× IchIk× würdezou× hierhier× inin× der kaltende koude× dunklendonkere× Meerzee× sterben.sterven.× AberMaar× die Seeleutede zeelui× zogentrokken× michmij× hoch.omhoog.× DuJij× auch!ook!× sagtenzeiden× sie.zij.× AlleAllen× müssenmoeten× pumpenpompen× oderof× wirwij× sterbensterven× alle!allemaal!× Langzamer0.7Langzaam0.85Normaal1Snel1.15Sneller1.3Vertaal paragraaf TaaltipsMijn hart bleef staan. Ik viel op mijn bed terug. Ik kon me niet bewegen. Water kwam binnen. Wij zouden zinken. Ik zou hier in de koude donkere zee sterven. Maar de zeelui trokken mij omhoog. "Jij ook!" zeiden zij. "Allen moeten pompen of wij sterven allemaal!"